SANTIAGO DE COMPOSTELLA

OP DE FIETS DOOR CHRIS HUISMAN

BURGOS – SANTIAGO DE COMPOSTELLA

18 juni tot en met 26 juni 1999

Burgos met zijn mooie kathedraal, laat ik achter mij en ook het Nederlandse echtpaar. Nu krijg ik wat flinke klimmen als aanloop naar de Tierra de Campos, de hoogvlakte van Spanje. Dit is dan het Noordelijke deel ervan met zijn onafzichtelijke graanvelden. Als het hier heet wordt, berg je dan maar. Ik maak daar wat dagen van 38ºC mee, maar er staat een briesje en ik hoef niet veel te klimmen. De ruïne van het klooster van San Anton, bestrijders van de ziekte Antoniusvuur, wat veroorzaakt werd door het eten van moederkoren, is nu vervallen en verlaten. Ik rij er een hond over zijn staart. Hij schrikt, maar ik ook, snel terug en gelukkig is zijn ketting niet lang genoeg. Dan het stadje Castrojeritz waar de Tempeliers een burcht hadden, wat nu een ruïne is. De Tempeliers, beschermers van de Camino De Santiago. Men is hier vriendelijk voor de pelgrim. Bij Itero del Costillo, bij de Rio Pisuerga, staat een oud kerkje van de Malthezer ridders. Deze is gerenoveerd door de Italiaanse vrienden van de Camino. Hier overnacht ik. Heel gastvrij en in een ceremonie voor het eten worden onze voeten gewassen en gekust. Een goed maal met wijn en een plezierig gesprek volgen. Er kunnen maar 12 mensen slapen en ze maken hier geen onderscheid tussen lopers en fietsers. De brug over die de Maltezer ridders gebouwd hebben. Dit is ook een orde die veel voor de Camino gedaan heeft. Formista met zijn San Martin, een unieke kerk mooi door de vorm en eenvoud. Geen bombastisch barok altaar, maar een paar beelden en verder beeldhouwwerk in steen. Dan over het speciaal met Europees geld aangelegde Caminopad met paaltjes om de 100 meter. Met de fiets kan ik nauwelijks tussen die paaltjes door. Naar Villacazar de Sirga met een hele mooie kerk met een enorm portaal en een mooie gebeeldhouwde Jacobskapel. Samen met een Nederlander, Peter Huisman, fiets ik een halve dag op. We ontmoetten elkaar eerder in St. Domingo de la Calzada, tijdens een maaltijd bij de Cistercienser nonnen.

Een wat vervelende ervaring met autopelgrims in El Burgo Ranero zet me weer met beide benen op de grond. Voor mij, met 100 km in de benen, is geen slaapplaats en voor de autopelgrims die voor de refugio uit de auto zijn gestapt, een rugzak op hebben gedaan en stempel gezet is er wel een bed. Ik zet mijn tent op, maar maak wel gebruik van de faciliteiten. De verhouding tussen ons is slecht, ik ben ook in een slechte bui. Onder bepaalde omstandigheden kun je onredelijk zijn. Jacobus sorry!!!! De volgende dag rijden ze na het ontbijt weer weg. Een uur na hun vertrek, een half uur na mijn vertrek en 11 km verder, lopen ze daar toch. Ik groet, maar of het vriendelijk is weet ik niet. Dit is ook eigenlijk hun eigen zaak, maar het steekt mij. Onderweg ontmoet ik veel mensen en zo is er een groep ontstaan die elkaar regelmatig ziet. De Nederlander Peter, een Duitser Mirko, een Italiaan Richard, een Belg en ik. In Hospital de Orbigo zie ik Mirko weer. Een rommelige maar gezellige Albequ waar we verwelkomd worden met een stuk watermeloen. Ik slaap in een ruimte met een Spanjaard, die flink snurkt. Leon, wat hier nog voor lag, is een stad met veel monumenten en een pracht kathedraal. Hier voor licht mij een stapeltje post, heel prettig. Als ik rond wil kijken is alles dicht, daar moet je hier voor opletten. Tussen 2 uur en half 5 is alles gesloten, daarna is alles tot 7 uur geopend en de winkels zelfs tot 9 of 10 uur. Dus Leon bekijk ik niet goed, later vind ik dit jammer. Na Hospital de Orbigo de stad Astorga met weer een kathedraal en het bisschoppelijke paleis van Gaudi. Trouwens die kathedraal heeft een prachtig portaal.

Dan de klim naar Cruz de Ferro op 1500 meter. Samen met de Duitser Mirko, hellingen van 12 % tot 15 % zijn het, toch is dit niet de ergste klim van onderweg. Bij Cruz de Ferro leg ik de steen die meegekomen is van huis en nog enkele verzamelde stenen bij het kruis op de berg andere stenen. Ik sta even stil bij mijn intenties. We drinken daar wat bronwater, er is een natuurlijke bron met heel goed water. Net zo lekker als ons polderwater. Dan komt ook de Nederlander, we maken wat foto’s. Prachtige vergezichten en een woest bergland.

Manjarin een ruïne dorp, na de top wordt er gebeld en daar is de alberqu. Thomas de Tempelier, eigelijk een hut, maar een droog onderkomen. We besluiten ondanks de rommel daar te blijven. We douchen in de wei, tussen koeien en struiken onder een douchekop aan een paal. Deze wordt gevoed door een PVC-slang, die ±100 meter de berg afloopt en in de zon warm word. Deze slang komt uit in een natuurlijke bron, hebben we beneden lekker warm water. Een goede maaltijd bij Thomas en wat rituelen. De afdaling naar Pon Ferrada is steil, hier zijn in het verleden al mensen verongelukt. Een beeld van een fiets geeft dat aan, de wielen zijn gebroken. Anderhalve km verder op een zeer steil stuk bij 40 km/uur is ineens mijn voorband leeg. Ik geef een schreeuw, ik hou hem niet en drijf alle kanten op, mijn hart slaat over. Toch krijg ik hem stil zonder brokken, hoe weet ik niet. Ik laat de fiets vallen en ga zitten, mijn lichaam trilt helemaal. Door het oog van de naald? Ik zeg even een bedankje. Het ventiel is eruit geschuurd. Een van mijn reserve banden blijkt waardeloos, maar ik heb er nog één. Dan bij Molinaseca een pelgrimsbad nemen in de rivier.

Ponferra een industriestad met enkele monumenten waar onder een groot kasteel van de Tempeliers. Het kost moeite om deze chaotische stad uit te komen. Naar Vilafranca del Bierzo, onderweg genietend van de kersenbomen die hier heel veel langs de weg staan. In Vilafranca viert men de midzomer nacht met vuren. Zo ook bij de refugio van de heer Jato met zijn oude maar gezelige refugio,en met een sprong over dat vuur, branden er alvast wat zonden van je af. En er wordt door de heer Jato een drank gebrouwen met een mengsel van melasse. Met een pollepel schept hij de brandende vloeistof en spreekt elke keer een wens uit voor de pelgrim uit welk land dan ook. Dan krijgen we nadat het geblust is elk een glas, het smaakt. Ik proost met de Italiaan. We drinken het naar keltisch gebruik bereid Gallicisch vuur. Voor het branden is het net spiritus, ik mocht het van de heer Jato proefen. Na een goede slaap zet ik de klim in naar Alto de Poio op 1335 meter en deze kan tegen de Pyreneeën op. In de aanloop haal ik de lopers van Villafranca in, we groeten. Fietsers halen mij vaak in, veel minder bagage. Een groep op mountainbikes en in blauw shirt blijken militairen te zijn. Elk groet mij en wenst mij een goede tocht.

Eerst Puerto Pedrafita op 1100 meter. Dan El Cebreiro op 1330 meter een berg dorp, geheel gerenoveerd en vallend onder monumentenzorg. Cebreiro is een oud toevluchtsoord voor de pelgrims. Een mooi oord met een fantastisch uitzicht op het land van Galicia. Het is vrij helder en warm. In de verte de bouw van een snelweg door de bergen. Daarvoor verzetten ze echt bergen. De oude bouwwijze hier is Keltisch.Het muziek instrument van Gallicië is de doedelzak. Ik hoor hen hier ook regelmatig onderweg. Boven op de top staat een beeld. Een pelgrim die tegen de wind optornt. Het spreekt voor zich, voor ieder die de Camino kent. Tijdens de afdaling naar Sarria, op 400 meter, geniet ik. Een goede weg en mooi warm weer 35*C, met een windje op kop gaat het best, maar beneden wordt het broeierig. In dit deel van Spanje valt meer regen dan in Nederland en met die warmte wordt het benauwd. Als ik dan moet klimmen krijg ik het gevoel als een uitgeknepen Citroen. Er is een dag dat ik 9 liter water drink, plus de gebruikelijke 2 liter melk. Maar het is hier groen en vruchtbaar. Weer dat zevenheuvelen gedoe, geef mij maar een pas van 1600 meter. Portomarin, een stadje dat verplaatst is, de oude ligging is nu een stuwmeer. Het kerkje is steen voor steen naar boven gebracht en herbouwd. De nummers staan nog op de stenen. Een oud gebied volgt, over smalle weggetjes. Veel heuvels en daar ontmoet ik ook de Belgen. Ze lopen de heuvels op en bij de afdaling zitten ze weer in het zadel. Gezellige mensen. Nog enkele namen van steden en dorpen; Palas de Rei, Melide, Arzua. Een refugio in Santa Irene, met een Fransman maak ik samen een maltijd. Hij heeft macaroni en ik de saus. Hij brood en ik wijn. Zo eten wij er goed van. Het gesprek vlot niet zo door mijn gebrekkige Frans, hij komt fietsen uit Cannes.

Zaterdag 26 juni, het regent, er komen 12 paarden langs, de ruiters in capes. Dan stap ik op en rij de laatste 20 km naar Santiago. Over de verkeersweg en dan omgeleid. Ik ga nu op de echte Camino, die is steil en vaak onverhard. Een kop koffie, het regent en is mistig. Ik rij de Monte del Goze op. Santiago ligt in de mist, toch even op de foto bij het pompeuze monument. En dan een gigantische refugio. Mijn helm, waar is die? De koffie, 3 km terug!! Nog een keer die Monte del Gozo!! Nu direct door naar Santiago, een steile afdaling. De Fransman komt weer naar boven in zak en as. Hij heeft zijn rugzak met belangrijke zaken bij de koffie laten liggen, maar hij vindt hem terug. De weg zoeken in Santiago is niet zo moeilijk, ik volg gewoon de stroom pelgrims. De opgesierde met mooie stokken en de echte met rugzakken of fietsen. En als ik in een smal straatje op mijn fiets stap, vol bepakt, en het plein voor de kathedraal op rij, begint om mij heen en grote groep "Glorie Glorie Halleluja" te zingen. Dan schiet er een brok in mijn keel. Daar sta ik oog in oog met het beeld van Jacobus, boven in de gevel. Ik slik, ik kijk rond, loop een eindje terug en sta een poosje stil en pak dan de telefoon om Anneke te bellen. Het is 11 uur en het regent, ik heb 3412 km op de teller!!

 

 

Naar de volgende etappe.

 

Terug naar de startpagina